”Met Vives kunnen we laten zien dat het wél kan”

Marcel Kesselring en Karin Winters vormen nu ruim een jaar samen de hoofdredactie van Vives. Wat hebben zij zelf met onderwijs en ICT en wat drijft hen om dit blad te maken?

Karins eerste baan in het onderwijs was die van ‘medewerker cursistenadministratie’. Al snel zocht ze meer uitdaging. Ze kreeg van haar manager de kans om een open leercentrum op te zetten. “Dat was in 1999 en het was mijn eerste ervaring met ICT in het onderwijs. Ik was direct enthousiast en zag veel mogelijkheden. Internet en e-mail waren in opkomst en ik ontwikkelde een intranet voor de school. Ik wilde docenten warm laten lopen voor het gebruik van computers en internet en maakte een startpagina met links naar voor hen interessante informatie. Verder introduceerde ik e-mail als communicatiemiddel. Dat was toen absoluut nog geen gemeengoed.”

We moeten nog steeds overtuigen

“Ik dacht: als ik er zelf zo enthousiast over ben, is het vast niet moeilijk om anderen voor ICT te interesseren. Je moet er een beetje tijd in steken, maar daarna levert ICT juist veel op. Ik kwam erachter hoe lastig het is om mensen die in een bepaalde routine zitten, daaruit te krijgen. Dat is nu bijna vijftien jaar geleden. Wat me enorm verbaast, is dat we mensen vandaag de dag nog steeds moeten overtuigen van de kracht van ICT in het onderwijs. Dat leerkrachten nog steeds bij het kopieerapparaat staan om toetsen te kopiëren en dat leerlingen nog steeds kruisjes zetten op antwoordbladen. Dat is toch niet te geloven?! “In het basisonderwijs werken steeds meer scholen met digitale lesmethodes”, zegt Marcel. “Maar veel leerkrachten printen de toetsen uit en laten deze op papier invullen. Ze kijken ze na en tikken vervolgens de resultaten over in de digitale omgeving. Dat doen ze daarna nog eens in het leerlingvolgsysteem. Een eenvoudige koppeling tussen lesmethode en leerlingvolgsysteem zou al zoveel tijd schelen. Maar de gemiddelde leerkracht denkt daar niet over na.”

Karin Winters: “Het gat tussen Vives en de wereld waarin ik leef, wil ik helpen dichten”

Een stap terug doen of loslaten?

Karin: “Blijkbaar zijn de mensen die heel vroeg met ICT in het onderwijs aan de slag gingen niet in staat geweest om de meerwaarde duidelijk te maken. Als voorloper moet je nu een stap terug doen om anderen bij de hand te kunnen nemen. En dan nog komen mensen maar langzaam in beweging. Of je laat los en je steekt je energie in de mensen die wel uit hun comfortzone durven te stappen.” Marcel: “Ik herken wat je zegt en ik zie het onderwijsveld inmiddels wel degelijk in beweging komen. Realiseer je dat je continu in de kopgroep zit. De grote massa komt nu op gang. Ik richt me dan inderdaad liever op scholen die laten zien dat ze mee willen in de ontwikkeling. Ik steek graag mijn energie in teams die al in beweging zijn en stappen willen maken. Wil je als docent niet mee bewegen? Dan krijg dadelijk toch een probleem. Het hoeven geen grote stappen te zijn, maar zet in ieder geval die stap voorruit, elke stap is een stap.”

 Aanwezige expertise goed organiseren

“Op het niveau van een school of een stichting, zou ik op dezelfde manier te werk gaan”, zegt Marcel. “Investeer in een kopgroep die laat zien wat je met ICT kan. Zorg ervoor dat zij ambassadeurs worden. Je wilt deze groep een duidelijke opdracht meegeven. Het belangrijkste is dat de groep gaat groeien, dus de leden moeten leren hoe ze collega’s mee kunnen nemen in de ontwikkeling.” “Mijn ervaring is dat het lastig is om een goede kopgroep samen te stellen”, zegt Karin. “Bestuurders of een directeur kunnen wel roepen ‘we gaan iets doen op het vlak van innovatie en ICT’, maar vervolgens kunnen ze intern geen geschikte mensen vinden en wordt er kennis van buitenaf ingevlogen.”

Marcel: “Het opzetten van communities deed ik al in het bedrijfsleven en doe ik sinds vijf jaar ook in het onderwijs. Daar zie ik mensen om de haverklap opnieuw het wiel uitvinden. Dus ik denk dat er genoeg expertise in de scholen aanwezig is, maar dat je het vooral goed moet organiseren. Zodat mensen niet alleen kennis delen bij de koffietafel, maar ook online. Dat vraagt om een gedragsverandering en daar is tijd voor nodig. Daarnaast is een duidelijk gezamenlijk doel belangrijk. Je moet ook weten wat mensen beweegt en is het handig als je de cultuur kent. Toen ik bijvoorbeeld een community onder marketeers op het vlak van voeding moest opzetten, deed ik eerst onderzoek naar wat voor mensen deze marketeers waren. Wat zou hen in beweging kunnen brengen? Het bleken ‘haantjes’ te zijn, competitief ingesteld dus. Bij het opzetten van deze community bleek gamification heel effectief.”

Marcel Kesselring: “Met Vives kunnen we laten zien dat het wél kan”

Het kan anders en slimmer

“Succesverhalen geven mij nieuwe energie”, zegt Karin. “Het is dan ook een prachtige ervaring om hoofdredacteur van Vives te zijn. Het is boeiend en inspirerend. Het laat zien wat er allemaal mogelijk is. Maar het maakt me er ook continu van bewust dat het gat tussen Vives en de wereld waarin ik leef ontzettend groot is. Dat gat wil ik helpen dichten. Ik werk op dit moment onder andere als docent en was tot voor kort ook student aan de master ‘Leren en Innoveren’. Als docent en student kom je veel verbetermogelijkheden tegen. Inmiddels heb ik de opleiding afgerond en ben ik Master of Education. Met de opgedane theoretische kennis en door de uitgevoerde onderzoeken wil ik laten zien welke mooie, innovatieve ontwikkelingen er in het onderwijs mogelijk zijn. Ook de verhalen in Vives laten zien dat het anders en slimmer kan. Dat geeft mij de motivatie om door te gaan. Een jaar geleden ben ik voor mezelf begonnen. Als freelancer help ik scholen om ICT in hun onderwijs te integreren. ICT en onderwijs: ik blijf er heftig in geloven.” “Ik ook”, zegt Marcel. “Er zijn veel goede initiatieven en er is werk aan de winkel. Als ik naar het onderwijs kijk, raakt het mij hoeveel tekort we doen aan de talenten van kinderen. We toetsen kinderen op wat ze niet kunnen. Zo maak je kinderen emotioneel kapot en stimuleer je zeker geen eigen initiatief en creativiteit. En dat is juist wat we keihard nodig hebben in deze maatschappij.”

Niet praten maar doen!

“Het onderwijs draait nu te veel om consumeren. We moeten meer naar produceren en participeren. Daar wil ik een bijdrage aan leveren. Dat doe ik bijvoorbeeld met het initiatief de ‘COschool’. Dat is een netwerk van VO-scholen die communicatie en media stevig verankeren in het curriculum. Niet ‘erbij’ maar echt ‘in’ het systeem. Co-creatie is de basis van deze samenwerking. Dat vraagt om een actieve houding van de deelnemers. Niet blijven praten, maar vooral doen! De komende tijd ga ik de COschool verder uitbouwen. Ook via Vives wil ik mensen in het onderwijs actiever maken. Door ze te inspireren en te motiveren. Door te laten zien dat het wél kan en door de mensen die dat voor elkaar krijgen op een voetstuk te zetten.”


tekst Christie Manintveld

It takes a community to raise a child

”It takes a village to raise a child”, is een oud Afrikaans gezegde waarmee bedoeld wordt dat bij het opvoeden en leren van kinderen alle mensen in de directe omgeving van het kind betrokken zijn. Het is dus de hele gemeenschap uit je omgeving: vrienden, ouders van vrienden, docenten, opa’s, oma’s, familie, sportclubs, kinderopvang,… die allemaal invloed hebben op de ontwikkeling van kinderen. Ouders dragen niet langer alleen de verantwoordelijkheid voor de opvoeding. De school heeft daarentegen ook niet meer het monopolie op leren. Leren doe je overal en is niet meer gebonden aan tijd en plaats.

Maar hoe betrek je ouders meer bij het onderwijs, terwijl de tijd dat ouders en leerkrachten elkaar kunnen zien steeds beperkter wordt? Net als in de rest van de samenleving zullen ook op en rond school de mogelijkheden van internet een belangrijke rol spelen in het vinden van een antwoord.

De Afrikanen spreken van ”It takes a village to raise a child”. In feite is “a village” , het dorp, de gemeenschap ofwel een community. Op de Kennisnet Summerschool heb ik een presentatie gehouden over community denken en het inzetten van een online community (zoals “Het Nieuwe Schoolplein”) ten behoeve van de ontwikkeling van kinderen.

Er is in de afgelopen jaren toch wel het een en ander veranderd. In vroeger dagen werkte vader, moeder deed het huishouden, zorgde voor de kinderen en bracht ze naar school. Het schoolplein werd veel gebruikt voor de sociale contacten. Kinderen kwamen tussen de middag thuis hun boterhammetje eten en na schooltijd dronken ze samen met moeder een kopje thee met een koekje. Nu wordt de opvoeding meer verdeeld over beide partners. Zowel vader als moeder werkt vaak volledig of parttime. Veel scholen hebben hierop ingespeeld door het invoeren van een continu rooster. Als je nu op een schooldag om half negen in de ochtend op een willekeurig schoolplein in Nederland kijkt, dan zie je inderdaad nog ouders van kinderen van groep 1 t/m 4. Vanaf de middenbouw zie je steeds minder ouders op het schoolplein. Betekent dit dat ouders minder betrokken zijn dan vroeger? Nee! Ouders zijn nog steeds betrokken bij de ontwikkeling van hun kind, echter je moet ze via andere kanalen benaderen. Ouders raken steeds meer bekend met “Het Nieuwe Werken”, waarin mensen continu online zijn en waar tijd en plaats daarmee een nieuwe betekenis krijgen. “Het Nieuwe Werken” is niet zomaar een nieuwe hype in het bedrijfsleven. In september 2009 was al te lezen in een persbericht van de Rabobank dat de bank de komende zes jaar het nieuwe werken gaat invoeren en dat werknemers die zich niet thuis voelen bij de nieuwe methode verzocht worden de organisatie voor 2015 te verlaten.

Daarnaast is de verwachting dat vrouwen meer uren gaan werken als gevolg van de verwachte tekorten op de arbeidsmarkt ten gevolge van de vergrijzing. De overheid streeft dan ook naar een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen.

Vaders en moeders zullen dus waarschijnlijk nog minder op het schoolplein verschijnen.

Scholen gaan inspelen op de trend door bijvoorbeeld de schooltijden aan te passen. Er wordt nagedacht over verschillende varianten, zoals het vijf-gelijke-dagenmodel, het bioritmemodel en het 7 tot 7-model. Een inventarisatie van de werkgroep Andere Tijden laat zien dat de meeste scholen geïnteresseerd lijken te zijn in het vijf-gelijke-dagenmodel. De verwachting is dat veel scholen naar dit model zullen overstappen.

Het concept van de Sterrenschool gaat nog een stapje verder. De 5 Sterren van de Sterrenschool zijn: De school is het hele jaar open, Eén adres voor alle kinderdiensten vanaf nul jaar, Maatwerk voor ieder kind, Uitblinken in rekenen, taal en lezen, Binding met de buurt. In Apeldoorn is dit schooljaar de eerste Sterrenschool geopend.

De school is dus ook meer aan het worden dan alleen onderwijs. Onderwijs is een participant naast kinderopvang, sport, cultuur, bibliotheek en andere instellingen.

Al deze veranderingen hebben tot gevolg dat er steeds meer mensen, naast de ouders en leerkrachten, betrokken worden bij de opvoeding en het leren van kinderen. Er gaan dus ook nieuwe samenwerkingsverbanden ontstaan, welke nodig zijn om de ontwikkelingskansen van een kind te vergroten. Er gaat zich een nieuwe gemeenschap (community) vormen om het kind. Er dient steeds meer afstemming plaats te vinden. Dus meer mensen, meer communicatie, meer miscommunicatie. Een online schoolcommunity, zoals “Het Nieuwe Schoolplein”, kan een prima verlengstuk zijn van het fysieke schoolplein en een middel waarmee de school de communicatie faciliteert.

“It takes a community to raise a child”

STELLING: een actieve schoolcommunity sluit niet betrokken ouders buiten?
Wat vind jij? Praat mee op Het Nieuwe Schoolplein!